close
  • zaterdag 25 mei
Fietsen

Alledagjes: ‘Op vakantie betekende 110 kilometer fietsen naar Zuidlaren’

Alledagjes: ‘Op vakantie betekende 110 kilometer fietsen naar Zuidlaren’

Ingrid avatar - Geniet van het leven

BLOG – Jan en ik zitten op het terras van een vistent aan het kleinste vissershaventje van Europa, Laaksum. Aan de IJsselmeer kust. Het is een zonnige dag en de lucht is in- en in-blauw. Aan de overkant van het IJsselmeer zien we duidelijk Enkhuizen liggen, zo helder is het. Tot ons uitzicht wordt belemmerd; knerpend, op het met grind verstevigde pad, komt een groep bejaarde Duitse toeristen tot stilstand. Allemaal met een rode, elektrische huurfiets. Allemaal met een fietshelm op. En een deel van hen met witte sokken in hun sandalen ( brrrr!), maar dit terzijde. “Goh,” zegt Jan, “terwijl hij kijkt naar enkele hoogbejaarde fietsers, veel van deze mensen zouden waarschijnlijk niet meer kunnen fietsen als er geen elektrische fietsen waren. Toch maar mooi dat die er zijn.”

Einde discussie

En inderdaad de elektrische fiets zorgt ervoor dat veel mensen veel langer kunnen blijven fietsen. Zelf was ik één van de eersten in mijn omgeving met zo’n luxe stalen ros. Mensen in mijn omgeving lachten me uit; Ik was toch zeker geen bejaarde? Nee dat niet, maar ik was net in de overgang en had last van al mijn gewrichten en vooral van mijn knieën. Fietsen werd in toenemende mate een straf voor me. Terwijl ik dat altijd zó graag deed! Bovendien deed ik alles op de fiets. Maar nu pakte ik steeds vaker de auto. Een riant fietsenplan van mijn werk stelde me in staat zo’n elektrische fiets aan te schaffen, die ik maandelijks afbetaalde van mijn bruto salaris. Ik was dolgelukkig met mijn aanwinst en liet vanaf dat moment de auto weer staan. En als iemand commentaar had zei ik ‘je hebt drie dezelfde fietsen op een rijtje, eentje die zwaar trapt, eentje die wat minder zwaar trapt en eentje die lekker licht trapt. Welke kies je dan?’ Einde discussie. 

Fiets op de groei

Wij als Nederlanders groeien op met fietsen. Zelf kon ik het al voor mijn vierde jaar. Wij speelden vroeger hele dagen buiten en zonder fiets was je nergens. Onze vaders spijkerden blokken op onze trappers, omdat ze ‘een fiets op de groei’ voor ons kochten en we anders niet bij de trappers konden. Sommigen moesten eerst een tijd staand fietsen, tot ze eindelijk bij het zadel konden. Met een knijper en een kartonnetje maakten we ‘kleppers’ aan onze spaken. Als je heel hard fietste klepperde dat zo lekker en leek het net of je op een brommer zat. Vonden wij tenminste. En we riepen er broem! broem! bij. Anderen hadden een ‘doortrapfiets’ waar niet eens een rem op zat. Het was een kunst om daarmee tot stilstand te komen en het vrat schoenzolen. Waarom zou je eigenlijk een fiets zonder rem fabriceren? Dat ben ik me altijd af blijven vragen. 

‘Ik was broodmager en ik had geen vet om mijn kont om als stootkussentjes te dienen’ 

Als wij met het gezin op vakantie gingen, zestig kilometer verderop naar Gaasterland, bracht mijn vader de auto met bagage vaak al een avond van tevoren. Dan ging hij met de bus en de trein weer terug en de volgende dag fietsten we met het hele gezin naar ons vakantieadres. Dan hadden we de fietsen daar ook. En dat was belangrijk, want veel van de vakantiepret had te maken met fietsen; fietstochten maken, leuke dorpjes en stadjes bezoeken op de fiets of racen langs slingerpaadjes in het bos. Fietsenrekjes voor op de auto waren er nog niet, voor zover ik weet, en vijf fietsen bond je ook niet zomaar op het dak van de auto. Als ik mee ging met het gezin van mijn beste vriendin was het nog weer een ander verhaal; daar hadden ze zeven kinderen en die konden niet allemaal in de auto. De ‘lytskes’ mochten met heit en mem in de Renault 4 en de rest, waaronder ik, moesten de 110 kilometer naar Zuidlaren fietsen. Hoewel moeilijk voor te stellen was ik in die tijd broodmager en ik had geen vet om mijn kont om als stootkussentjes te dienen voor mijn  arme zitbotjes. Die fietstocht was voor mij een pijnlijke bedoening. En dagen daarna was het lopen en zitten nog pijnlijk. Was de hele boel net weer genezen, konden we weer 110 kilometer terug fietsen! Maar het gaf wel een gevoel van trots als we het weer gehaald hadden. Ook al rustten we het laatste deel van de route meer dan dat we nog fietsten.

‘Pake was al ver in de tachtig en fietste gewoon zestig kilometer op een klassieke herenfiets, zonder versnellingen’

Fietsen was bij ons in de familie, van mijn vaders kant in ieder geval, een geliefde bezigheid. Mijn pake en beppe fietsten tot op hoge leeftijd. Ook zij hadden een zomerhuisje in Gaasterland en daar fietsten ze met hun hele hebben en houwen aan de fiets gebonden naartoe, om er de hele zomer te wonen. Een auto hadden ze niet. Later bracht één van hun kinderen hen ook wel eens als het slecht weer was. Maar als het even kon gingen ze op de fiets. Nadat beppe was overleden wilde pake ’s zomers toch in zijn vakantieverblijf zijn. Mijn vader bood aan om hem te brengen maar pake was nogal een eigenzinnige man en was tot grote consternatie van de hele familie opeens verdwenen. En dat in een tijd dat er nog geen mobiele telefoons waren. Navraag leerde dat meneer al hoog en droog in zijn zomerpaleis zat. Hij had het geduld niet op kunnen brengen om op mijn vader te wachten. Had zijn witte pet opgezet, zijn boeltje bij elkaar gepakt, wat pannen en hengels aan het stuur gebonden en was gewoon vertrokken. Geen briefje achter gelaten en niks. Hij was toen al ver in de tachtig en fietste gewoon zestig kilometer op een klassieke herenfiets, zonder versnellingen.

Driewieler

Mijn ouders, ook beiden in de tachtig, fietsen ook nog. Zij hadden ook al heel vroeg een elektrische fiets en vooral mijn vader fietst elke dag. Op zijn ‘gewone’ of op zijn elektrische fiets. Mijn moeder fietst ook nog regelmatig en soms gaat ze gewoon fietsend naar de binnenstad en komt beladen met boodschappen weer terug. Eerlijk gezegd vind ik dit wel eens wat eng maar het is fijn dat ze dit nog kan. Zo lang mogelijk mobiel en beweeglijk blijven is fijn en gezond. Mijn schoonmoeder, ook een tachtiger, fietst ook heel graag maar het op- en afstappen wordt steeds lastiger. En ze wordt wat onzeker. Nu fietst ze bijna niet meer. ‘Misschien nog eens een driewieler?’ Vroeg ik haar laatst. Maar mem vond dat ze er dan als een ‘debiel’ uit zag (haar woorden). Haar trots staat haar wel eens in de weg. Toen ik voor het eerst een rollator voorstelde, nadat het lopen niet meer zo goed ging, huilde ze en wilde er niet meer over praten. Ik begreep wel dat het moeilijk moest zijn om steeds weer een stukje zelfstandigheid in te leveren en bracht het onderwerp niet meer ter sprake. Maar ze begon er zelf weer over, een tijdje later. Of ik niet eens met haar mee wilde om een rollator uit te zoeken. En zo geschiedde. Ze zocht een prachtexemplaar uit, met luchtbanden, want die andere ratelden zo op de straatklinkers, vond ze. Nu noemt ze hem liefkozend haar ‘Mercedes’. Ze kan er mee de ‘buorren’ in en de boodschappen kunnen in de handige tas die er aan vast zit. Als ze moe is gaat ze even zitten op het hiervoor bedoelde plankje tussen de handvaten. Wie weet vraagt ze me binnenkort nog wel eens om een mooie driewieler fiets met haar uit te zoeken. 

Geschreven door: Tietia Feikens